Een kust, een zee, een leven
Lang verhaal
Soms lijkt het Antonio dat hij in de zee is geboren. Zijn oogjes zitten nog dichtgeknepen, en ineens verschijnt boven hem een lichtvlek. Hij opent zijn ogen, terwijl iets hem uit het water trekt. Even later ligt hij op de bodem van een schip te spartelen tussen glinsterende vissen. De zon is net verschenen, en enkele bruin-paarse wolkenslierten vluchten weg naar de horizon.
Die droom komt telkens terug, en de beelden zijn zo scherp dat het echt lijkt. Maar nee, er is ook de foto van hem op de arm van zijn moeder in het moederhuis, op haar gezicht een fiere, vermoeide glimlach, en haar donkerblond haar, schijnbaar zachtjes op en neer dansend langs haar hoge jukbeenderen. Tachtig jaar geleden, in Sines. Sines, waar garoto een espresso met melk betekent, en niet ‘jongetje’ zoals in het noorden, waar hij nu is.
Nee, Antonio komt niet hier vandaan, uit Vila Praia d’Âncora, al zat de zee er van bij het begin in. Zijn vader José was visser in Sines, toen nog een rustig dorp halfweg de Alentejo Baixo, met een weids strand als een brede, open handpalm reikend naar de zee. Hij was ook mede-eigenaar van de Santo Bento, samen met Gilberto. Gilberto Santa Rosa, de broer van zijn vrouw. Elke morgen om vier uur dertig klopte zijn schoonbroer aan de deur, en dan vertrokken ze zwijgend naar de haven. Nog in het donker werd de boot losgemeerd en ze voeren uit. Vijf man, allemaal familie. Tegen de middag waren ze terug. Het hele ruim vol vis, toen was dat normaal. Een goed leven.
Na zijn lagere school begon ook hij zijn toekomst hier. Alleen zijn plezier in stripverhalen bleef overeind uit zijn schooltijd. De herinnering aan die eerste vaart: de zon die schuw opgaat boven het zwartbruine land, het leeghalen van de netten. De anderen die plots voor hem uitwijken om een grote vis te pakken, en hij die aan hun houding ziet dat er meer achter steekt, en aarzelt. Het gelach: ze hadden hem bijna beetgehad. Een eerste les: een rog pak je beter niet bij zijn staart.
Eind jaren zestig werd er ineens een industriële haven gepland. Alsof ze geen andere plek konden vinden dan Sines. Hij voelde er zich minder en minder thuis. De paar cafés zaten ’s avonds vol vreemdelingen. Geen toeristen, maar werkmensen uit Trans-os-Montes. Een primitief volkje dat een ouderwets soort Portugees sprak.
Zijn broer stond met een voet in een kabeltros op het dek toen die gierend afliep bij het neerlaten van het net, en hij werd opgeschept. Over de reling en weg. Hij kon niet zwemmen, geen enkele visser kon toen zwemmen. Er was geen reddingssloep, alleen een boei van kurk die domweg ronddobberde terwijl ze hulpeloos toekeken. Nadat zijn broer verdronk, was het uit met de zee. Elke dag zanikte zijn moeder erover, alsof hij er schuld aan had. Alsof je het ooit kan uitmaken met de zee.
Een tijdlang wilde hij niet meer op een schip. Het was net de tijd van Grote Veranderingen. Grândola1 lag hier omzeggens om de hoek. Eanes cumpre2! Hij mocht voor het eerst gaan stemmen. Hij trok thuis weg om nooit terug te keren, en ging werken in Carrasqueira, een gehucht in de wijde baai die de Sado-rivier maakt tussen Alcacer do Sal en Setúbal – bijna aan zee, maar net niet.
Nu staan hier en daar nog dronken palen in het water, eenzame overblijfsels van primitieve staketsels. Ooit gebouwd om lokale vissers de kans te geven om ook bij laag tij te gaan vissen. Maar de topindustrie toen was zoutwinning. Hier werd het beste zout van Portugal gewonnen. Zout winnen was zwaar werk. Als het regende, zag je omzeggens de fleur de sel niet liggen, grijs op grijs. En als de zon scheen, weerkaatste dat felle licht op het zout: alles wit, om gek te worden! Al eens een grote zak zout opgepakt? Loodzwaar, en de pekel vreet aan je handen en je schouders. Er waren ook mooie kanten: de springtijdagen, wanneer de sluisjes in de aarden wallen geopend werden, en het zeewater tintelend door de zoutpannen vloeide. De vlucht van de flamingo’s, de dolfijnen die buitelden in de lagune. Maar rijk gingen ze er niet van worden, hij en Rui.
Rui, dat was die vriend die hij maakte toen hij daar in de zoutpannen werkte. Hij kwam oorspronkelijk uit Ilhavo, tegen Aveiro, en het zout zat hem in het bloed. Ze werden echte bloedbroeders, bijna letterlijk, want zout was een bijtend goedje. Op zaterdagavonden namen ze de ferry naar Setúbal en gingen uit. Disco’s, drinken, het kon niet op. Sagres, Super Bock en moscatel tot die hun oren uitkwamen en ze samen om de hoek stonden te kotsen. Op zomerse zondagen gingen ze naar Troia om uit te rusten en te eten op het strand.
Maar zout winnen in de winter, dat ging niet. Rui kon niet ophouden over de zoutwinning bij Aveiro. Dat moest hij gezien hebben! Ze konden bij hem thuis overwinteren, en tegen de volgende lente, met hun spaargeld en een lening van de bank… Rui had gehoord dat zoutwinningen nu goedkoop van de hand gingen, en Antonio liet zich overtuigen. Dom, hij had moeten proberen er een in de Sado-monding te kopen, maar wist hij veel! Daar werd nu rijst gekweekt, en ook vis, iedereen werd zomaar rijk door ernaar te kijken…
Ja, er waren inderdaad zoutwinningen te koop in Aveiro, al was ‘winning’ niet meteen het gepaste woord. Ze smeten ermee naar je kop! De zoutwinning was op sterven na dood, iedereen trok zijn handen ervan af. Rui’s familie woonde niet in Aveiro zelf, maar wat dichter tegen de zee aan, in Ilhavo. Weer een vissersnest aan een diepe en lange gladde baai, parallel aan de kust, waar achter een fort de IJslandvaarders aanlegden. Een plek waar de kapiteins verder keken dan de duinen daar aan de overkant, en de geuren van de zee van verder kwamen aangewaaid.
Antonio besloot te blijven, maar niet voor dat verdomde zout. Anna, de zuster van Rui – Antonio was er meteen weg van. Een echte Ilhavense, rijzig, met grijze ogen, net zoals Ilhavo’s vrouwen in de fadoballaden beschreven werden, en zo oud als hijzelf. Al was indirect ook het zout van de partij: nog altijd wordt gezegd dat de inwoners van Ilhavo zout in hun bloed hebben. En kabeljauw in Portugal zonder zout? Ondenkbaar.
De zee blijft altijd trekken, en Ilhavo, dat was het centrum van de kabeljauwvisserij. Niet zomaar kabeljauw, nee, Atlantische kabeljauw. Dat is maar één soort van de gadidae-familie, naast de koolvis, de zwarte rattenstaart, de schelvis en nog een paar. Ooit zat die kabeljauw overal in de Noordzee, maar nu waren daar alleen nog gulletjes – de jongere vissen. Hoe ouder en zwaarder ze werden, hoe meer ze de koude opzochten. Geen vis die je op één dag ving, je moest ervoor naar IJsland en Terra Nova, Canada. Drie weken varen om te beginnen. Dat was een heel ander soort vissen dan in Sines of de sardines die ze met het lijntje visten rond Troia!
Hij monsterde aan en de volgende week vertrok hij, uitgezwaaid door Anna en Rui. Op weg naar een bestemming waar alleen gedempt over gesproken werd. IJs en koude, altijd die koude! Ze vertrokken met een ruim vol ijs en kwamen terug met de kabeljauwen in hetzelfde ijs. Dagen die vastvroren aan de scheepsrelingen, want het beste vangstseizoen viel midden in de winter. Pas terug aan land werden de vissen gedroogd. Zwaar werk, maar wel goed betaald. Alleen wist je nooit voor hoelang je weg was: pas wanneer het ruim vol was, werd de boeg gekeerd.
Het ergste was de langzaam doordringende koude in de ‘dóris’. Hij had zich bij zijn aanmonstering op het schip afgevraagd wat al die halfbolle sloepen, netjes ineengepast, daar deden. Hij zou het nooit vergeten. Eens in het jachtgebied aangekomen, werd elke matroos in zo’n sloep gepoot, met lijnen en aas. Tot zeshonderd lijnen de man. Kabeljauwen werden met lijnen gevangen! De mannen bleven op hun schuitje verkleumen tussen de ijsschotsen tot het volgeladen was met tot tweehonderd kilogram wit goud, soms achttien uur aan een stuk. Pas dan mochten ze terug aan boord. Aan dek en in het ruim ging het werk voort, want de gevangen kabeljauw moest onmiddellijk geschaald en gezouten worden.
Na de tweede reis trouwden Anna en hij en er kwamen kinderen. Eerst een meisje, Maria, naar de moeder van Anna – welke vrouw heette toen niet Maria? Vier jaar later was er Paco. En na twaalf jaar IJsland was de vraag: een eigen boot kopen? Of tot het eind van zijn leven naar het eind van de wereld heen en weer? Die eeuwige zwarte koude? Dat zag Antonio niet zitten. Het antwoord kwam vanzelf: de kabeljauw ging snel achteruit en er werd gesproken van vangstbeperkingen. Maar ze moesten wachten. Ze wachtten en wachtten tot de moeder van Anna stierf, want eerder wilde die niet weg uit Ilhavo.
Intussen rosten ze op vrije dagen de kust af in hun Fiatje, steeds verder naar het noorden, en Anna vroeg zich af wat hij zocht. Hij vond het uiteindelijk. Vila Praia d’Âncora, helemaal in het noorden. Het stadje beviel meteen. Was het die vis op de torenspits van de kerk? Het was in zekere zin een terugkeer naar Sines: hetzelfde onmetelijk weidse strand en een vissershaventje. Er was ook een riviertje, de Âncora, dat vanuit de Serra d’Arga naar beneden druiste en zich nerveus rommelend over de keien van het strand uitstortte in de zee. Hier waren er in de zomer meer toeristen, maar dat was goed voor de visverkoop, bedacht hij.
Eind jaren tachtig van vorige eeuw was het zover. Ze kochten een klein en redelijk geprijsd huis met twee slaapkamers in de rua Celestino Fernandes, een honderd meter van het haventje. Maria was achttien en studeerde intussen met een EU-beurs op de universiteit in Porto, tolk-vertaalster Engels en Spaans. Haar toekomst lag niet in een vissersdorp, dat maakte ze meteen duidelijk. En Paco? Die was veertien en had binnenkort de middelbare school achter de rug. Hij was een redelijk goed student en dacht eraan logistiek te gaan studeren aan het Politécnico in Viana do Castelo.
Het huis was in feite een miskoop. Ze waren tevoren pimentos de Padron en bacalhão ao forno gaan eten, goed bespoeld met Alvarinho, in de Casa dos Caracois, het restaurant op de hoek. Het weer was goddelijk, en geen van hen merkte dat er niet zoveel zon het huis binnenkwam. Allemaal mooi toen in de lente, maar in de winter was het een tochtig gat, die straat.
En dat het hier kan waaien, zul je geweten hebben: die strakke wind pal uit het noorden blaast vanaf oktober tot mei aan één stuk door. Soms, als hij het anker lichtte, bedacht Antonio: ‘Het wordt weer vechten.’ Want op zee leek de wind ineens van alle kanten te komen, huilend, rukkend, soms biddend.
Anna kon er nooit echt haar draai vinden. De eerste jaren was dat geen groot probleem: elke avond was Paco thuis. Tot dat stopte: na de school in Viana vond hij werk in Povoa de Varzim, dichter tegen Porto aan. Niet zo ver weg, en hij bleef komen, toch in de weekends. Maar er waren de andere dagen. En Maria? Die zat in Brussel, bij de EU, ver weg.
In die tijd waren er nog supermarktjes en winkels in de omtrek. Dat veranderde. Nu verkopen ze overal dezelfde souvenirs, en de hoofdstraten staan vol immobiliënkantoren. Enkele zomers lang diende Anna op in een restaurant hier wat verder, Coral, maar ook dat hield op: nu werken er alleen nog meisjes uit Angola of Mozambique. En niet alleen daar. Overal. Nee, in de Casa dos Caracois heeft ze nooit willen werken. Te dichtbij? Of was er een onuitgesproken wrok om dat middageten met teveel wijn dat hen dat huis toen had doen kopen?
Ze werd ziek. Darmkanker. Drie jaar lang vocht ze voor wat ze waard was, drie jaar met een stoma-tas. De laatste maanden gaven haar nieren het op en droeg ze ook een urine-tas. De lever zwol op en haar ruggengraat brak. Nu was het de beurt aan haar longen om op geven. Ze heeft nog een twaalftal dagen op intensive care gelegen aan een ademmachine. Uiteindelijk werd die weggenomen: ze had genoeg afgezien.
En ik, Antonio? Ik ben hier gebleven, tenslotte kende ik hier intussen de mensen. Kijk, die twee die daarbuiten aan die boot staan te palaveren? João en Pedro, vissers als ik. Ook met pensioen, zoals ik. En die hier op het terras, met zijn brede rug en dat kapiteinspetje op? Juist, die in de rolstoel. Manuel. Die deed heel zijn leven de overzetboot van Caminha naar Spanje. En daar tegen de spiegels aan, dat is Joaquim. Die zit de hele dag daar zo te kijken. Naar wat? Naar de zee, wat anders?
Daarom is de Golfinho ook ons stamcafé: van hier heb je het beste zicht op de zee en op de haven. En met dat terrasje zit je ook wat uit de wind. Vervelen? Wat is vervelen? Soms kaarten we. Sueca, of af en toe Truco. Pas op, niet voor geld! Susana achter de toog, die maakt alle dagen soep en wat petiscos, kleine dingen om te eten. Meer moet dat niet zijn. En de zee? Die is altijd anders. Kijk eens goed rond: er zitten hier alleen maar mannen. Daar, voor onze neus, ligt onze vrouw. Dat is zo. Totdat ze ons roept.
2 Eanes cumpre: Eanes houdt zijn beloftes. Eanes, een militair, werd de eerste president van Portugal na de Anjerrevolutie.
G. Barbier